ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5778
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring en overbrenging vreemdeling na detentie
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie. De vreemdeling was na afloop van zijn strafrechtelijke detentie overgebracht naar een politiebureau en vervolgens in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van het tijdsverloop tussen het einde van de detentie en de inbewaringstelling, waarbij de vreemdeling stelde dat hij onrechtmatig was opgehouden zonder geldige grondslag. De rechtbank stelde vast dat het vervoer van de penitentiaire inrichting naar het politiebureau plaatsvond op basis van artikel 50, derde lid, Vw 2000, dat een bevoegdheid tot overbrenging biedt wanneer identiteit en verblijfsrecht reeds zijn vastgesteld.
De rechtbank concludeerde dat het achterwege laten van een voorafgaande staandehouding niet onrechtmatig was en dat het vervoer door een bevoegde ambtenaar was uitgevoerd, ondanks het ontbreken van een proces-verbaal. Verder werd vastgesteld dat de maatregel van bewaring gegrond was, gezien het niet-rechtmatig verblijf, het risico op ontduiking van uitzetting, en het ontbreken van identiteitspapieren.
De rechtbank verwierp het beroep en oordeelde dat de bewaring niet in strijd was met de Vreemdelingenwet 2000 en dat de belangenafweging rechtvaardigde dat de bewaring gehandhaafd bleef. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en de bewaring wordt gehandhaafd.