ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5805
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel van bewaring wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming in vreemdelingenzaak
Verweerder legde op 9 mei 2001 aan eiser, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, een maatregel van bewaring op met het oog op uitzetting. De rechtbank werd op 11 mei geïnformeerd over deze maatregel, wat gelijkgesteld werd met een beroep van eiser. Tijdens de zitting op 18 mei 2001 werd vastgesteld dat tussen 16.30 uur en 17.45 uur op 9 mei geen geldige titel voor vrijheidsbeneming aanwezig was, omdat verweerder niet kon aantonen dat eiser in die periode rechtsgeldig was staandegehouden.
De rechtbank verwierp het argument van verweerder dat eiser staandegehouden was, vanwege het ontbreken van bewijsstukken. Hierdoor werd de daaropvolgende bewaring als onrechtmatig beoordeeld. Ondanks dat verweerders gemachtigde aangaf dat geen belang bestond bij een uitspraak, stelde de rechtbank dat de toetsing van de rechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel niet achterwege kan blijven zolang de bewaring niet is opgeheven.
Verweerder mocht na de zitting geen ontbrekende stukken overleggen, waaronder het proces-verbaal van staandehouding, waardoor de rechtbank geen aanleiding zag om de stukken alsnog toe te laten. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de onmiddellijke opheffing van de bewaring en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming.