ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5876
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verblijf bij grootouders op grond van verruimde gezinshereniging
Verzoekers, allen van Marokkaanse nationaliteit, hebben een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning in Nederland om bij hun grootouders te verblijven. Zij beroepen zich op het beleid inzake verruimde gezinshereniging. De Staatssecretaris van Justitie heeft de aanvragen afgewezen en bepaald dat uitzetting gedurende bezwaar niet wordt opgeschort.
De rechtbank toetst het verzoek aan de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000, met name artikel 3.24 Vb en artikel 13 Vw Pro. Uit de procedure blijkt dat verzoekers nooit feitelijk tot het gezin van hun grootouders in het buitenland hebben behoord, hetgeen door hun gemachtigde is erkend. Ook is onvoldoende onderbouwd dat achterlating in Marokko een onevenredige hardheid zou betekenen, mede omdat andere familieleden in Marokko voor hen kunnen zorgen.
Hoewel verzoekers zich beroepen op het recht op gezinsleven uit artikel 8 EVRM Pro, oordeelt de president dat geen sprake is van inmenging in gezinsleven, omdat zij geen verblijfstitel bezitten die dit gezinsleven in Nederland mogelijk maakt. Gelet op de belangenafweging tussen het individuele belang en het algemeen belang, en het ontbreken van klemmende humanitaire redenen, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en uitzetting blijft gehandhaafd.