ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5890
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen bewaring Iraanse vreemdeling na bedreiging bewaker
De Iraanse vreemdeling werd in bewaring gesteld nadat hij een bewaker in het Huis van Bewaring in Ter Apel met een mes had bedreigd. Om de veiligheid te waarborgen, werd hij overgeplaatst naar het Huis van Bewaring in Veenhuizen, waardoor hij niet tijdig door de rechtbank kon worden gehoord. De rechtbank oordeelde dat deze overplaatsing een overmachtssituatie vormde, waardoor het niet binnen zeven dagen horen van de vreemdeling niet aan hem kon worden toegerekend.
De rechtbank stelde vast dat de staandehouding en ophouding voor verhoor rechtmatig waren, omdat er een redelijk vermoeden bestond van illegaal verblijf, gelet op het ontbreken van geld, identiteitsbewijs en vaste woon- of verblijfplaats. Tevens was er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, waarbij de vreemdeling in de gelegenheid werd gesteld contact op te nemen met zijn familie in Iran voor het verkrijgen van een geboorteakte.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet in strijd was met de Vreemdelingenwet 2000 en dat de belangenafweging de maatregel rechtvaardigde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en er was geen aanleiding tot toekenning van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft in stand.