ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5895
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen inbewaringstelling vreemdeling wegens illegaal verblijf
Een Marokkaanse vreemdeling werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 wegens illegaal verblijf en het vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. De vreemdeling tekende beroep aan tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat het voor een juiste beoordeling noodzakelijk is dat alle relevante stukken, waaronder het proces-verbaal van de binnentreding, in het dossier aanwezig zijn. Hoewel dit proces-verbaal pas kort voor de zitting werd overgelegd, kon de gemachtigde van de vreemdeling hiervan kennisnemen en reageren, waardoor geen onrechtmatigheid werd vastgesteld.
De rechtbank stelde vast dat de verbalisanten bevoegd waren tot binnentreding en staandehouding op basis van het vermoeden van illegaal verblijf. De maatregel van bewaring werd gerechtvaardigd geacht omdat de vreemdeling geen geldige verblijfsdocumenten had, zich aan toezicht onttrok en geen gehoor gaf aan eerdere aanzeggingen tot vertrek.
Er was voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en verweerder handelde voortvarend. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.