ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5896
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Wolthuis
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens toepassing van twee wettelijke gronden
Een Soedanese vreemdeling werd in bewaring gesteld op basis van twee verschillende gronden uit artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000: het eerste lid onder a en het tweede lid. De rechtbank oordeelde dat bewaring slechts op één grond kan worden gebaseerd vanwege de verschillende rechtsgevolgen, waarbij het eerste lid onbeperkte duur toestaat en het tweede lid een maximale duur van vier weken.
De Staatssecretaris van Justitie erkende ter zitting dat de bewaring onrechtmatig was omdat deze op twee gronden was gebaseerd. Tijdens de zitting bereikten partijen overeenstemming over een schadevergoeding. De rechtbank overwoog dat het belang van de openbare orde bij het eerste lid daadwerkelijk moet worden aangetoond, terwijl het tweede lid uitgaat van een fictief belang.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, oordeelde dat de bewaring in strijd was met de Vreemdelingenwet en onrechtmatig was, en veroordeelde de Staat tot vergoeding van de proceskosten. Tevens werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt gegrond verklaard en de bewaring onrechtmatig bevonden.