ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5921
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij buitenbehandelingstelling aanvraag verblijfsvergunning wegens ontbreken mvv
Verzoeker, van Nigeriaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel arbeid in loondienst. Deze aanvraag werd buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verzoeker stelde beroep in tegen deze beslissing en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitzetting tijdens de bezwaarprocedure te schorsen.
De rechtbank oordeelde dat sinds de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001, het materiële recht van deze wet van toepassing is, en dat de oude procedurele bepalingen niet langer gelden. De toetsing van het besluit vond plaats aan artikel 16, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 en de daaraan gerelateerde bepalingen in het Vreemdelingenbesluit 2000.
Verzoekers beroep op de hardheidsclausule werd afgewezen omdat de aangevoerde omstandigheden, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, de lange duur van de mvv-procedure en de gezondheidstoestand van zijn partner, geen onbillijkheid van overwegende aard opleverden. Daarnaast was niet aannemelijk dat de partner uitsluitend op verzoeker aangewezen was voor zorg. De rechtbank concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had en dat er geen aanleiding was om de voorlopige voorziening toe te wijzen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de buitenbehandelingstelling van de aanvraag wegens ontbreken van een mvv blijft gehandhaafd.