ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5942
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling wegens onvoldoende belangenafweging bij vrijheidsbeneming
De vreemdeling, een staatloze persoon uit Rusland, diende op 5 mei 2001 een asielaanvraag in die op 9 mei 2001 werd afgewezen. Op dezelfde dag werd hij op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld. De rechtbank oordeelde dat sinds 1 april 2001 vrijwel alle vreemdelingen die aan het criterium van artikel 59 lid 2 voldoen Pro, na afronding van de aanmeldcentrumprocedure in bewaring worden gesteld zonder dat een specifieke, individuele belangenafweging plaatsvindt.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet had aangetoond dat een bijzondere afweging was gemaakt tussen het belang van de vreemdeling om niet van zijn vrijheid te worden beroofd en het belang van de overheid om te voorkomen dat de vreemdeling zich aan uitzetting onttrekt. De vreemdeling had bovendien bevestigd dat hij Nederland zou verlaten indien zijn beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek ongegrond werd verklaard.
Gelet op het ontbreken van een individuele belangenafweging en de bevestiging van de vreemdeling dat hij Nederland zou verlaten, oordeelde de rechtbank dat de bewaring niet in stand kon blijven. De rechtbank veroordeelde verweerder tevens in de proceskosten en stelde het onderzoek naar schadevergoeding open, waarbij verweerder werd verplicht de benodigde detentiegegevens te verstrekken.
Uitkomst: De rechtbank hechtte het beroep toe en beval de opheffing van de bewaring wegens het ontbreken van een individuele belangenafweging.