ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5946
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel wegens niet tijdige kennisgeving voortzetting
De vreemdeling werd op 11 maart 2001 de toegang tot Nederland geweigerd en onderging een vrijheidsontnemende maatregel. Op 6 april 2001 verklaarde de rechtbank het beroep tegen deze maatregel ongegrond. Volgens artikel 96, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moest de minister binnen vier weken na de uitspraak de rechtbank informeren over de voortzetting van de vrijheidsontneming, tenzij de vreemdeling zelf beroep instelde.
De rechtbank stelde vast dat de kennisgevingstermijn begint op de dag van de uitspraak (6 april 2001) en niet op de verzenddatum van de uitspraak (10 april 2001). Omdat verweerder niet binnen vier weken kennis had gegeven en de vreemdeling in die periode geen beroep had ingesteld, was de voortzetting van de maatregel vanaf 5 mei 2001 onrechtmatig.
Verweerder stelde dat de termijn pas twee weken na de uiterste kennisgevingsdatum zou ingaan, maar de rechtbank verwierp dit standpunt. De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig kennisgeven een fatale termijn is die niet kan worden hersteld en dat verweerder verplicht is de maatregel op te heffen zodra voortzetting onrechtmatig wordt.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel met ingang van 22 mei 2001 en veroordeelde verweerder in de proceskosten. Over het verzoek om schadevergoeding zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 22 mei 2001 wegens niet tijdige kennisgeving voortzetting.