ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6088
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen voortduring bewaring vreemdeling wegens niet tijdige voortgangsrapportage
De vreemdeling is op 18 april 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Bij kennisgeving aan de rechtbank ontbrak de verplichte voortgangsrapportage, waardoor verweerder niet tijdig informatie verstrekte over de voortgang van de uitzetting. De rechtbank stelde verweerder in de gelegenheid om binnen twee dagen aanvullende inlichtingen te verstrekken, maar deze werden pas na sluiting van het vooronderzoek ontvangen.
De gemachtigde van de vreemdeling had daardoor geen mogelijkheid om tijdig te reageren op de verstrekte informatie. Hoewel dit niet in overeenstemming was met de Richtlijnen Bewaringszaken Vw 2000, leidde dit niet tot gegrondverklaring van het beroep omdat de rechtbank verweerder een soepele toepassing van de richtlijnen toezegde in de beginfase van de nieuwe wet.
De rechtbank oordeelde dat onduidelijkheden in de feiten aan verweerder moeten worden toegerekend en dat de vreemdeling niet kan worden verweten onvoldoende onderbouwing van zijn stellingen. De inhoud van de voortgangsrapportage werd ter zitting voorgehouden, waarop de gemachtigde geen inhoudelijke bezwaren maakte tegen voortzetting van de bewaring.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de uitzetting voldoende zorgvuldig voorbereidt en dat de voortzetting van de bewaring niet in strijd is met de wet of onredelijk is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.