ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6130

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
3 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/24693 VRONTO A3
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • E.H.B.M. Potters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Vreemdelingenwet 1965Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 90 WvSvArt. 93 WvSvArt. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding na bewaring vreemdeling ondanks onherroepelijke gevangenisstraf

Een Guinese vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld en werd tegelijkertijd veroordeeld tot drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De vreemdeling stelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat de straf al onherroepelijk was en direct ten uitvoer had moeten worden gelegd. De rechtbank oordeelde dat hoewel artikel 561 WvSv Pro voorschrijft dat een gevangenisstraf zo spoedig mogelijk moet worden uitgevoerd, alleen het openbaar ministerie bevoegd is tot uitvoering volgens artikel 553 WvSv Pro.

De rechtbank stelde vast dat de bewaring voorafgaand aan de opheffing niet onrechtmatig was en dat enige vertraging in de uitvoering van de straf niet aan verweerder kon worden toegerekend. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen. De rechtbank benadrukte dat de opheffing van de bewaring was bevolen vanwege het niet tijdig indienen van een voortgangsrapportage en dat er geen gronden waren om proceskosten toe te wijzen.

De uitspraak bevestigt dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van strafrechtelijke vrijheidsbeneming strikt bij het openbaar ministerie ligt en dat vreemdelingenbewaring niet automatisch onrechtmatig wordt door het bestaan van een onherroepelijke strafvonnis. Dit arrest verduidelijkt de verhouding tussen vreemdelingenbewaring en strafrechtelijke tenuitvoerlegging.

Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige vreemdelingenbewaring wordt afgewezen.

Uitspraak

UITSPRAAK
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE
ZITTINGHOUDENDE TE 'S-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
UITSPRAAK
Zaaknummer : AWB 01/24693 VRONTO A3
Datum uitspraak: 3 juli 2001
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 juncto Pro artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) in het geschil tussen:
A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1981 en van Guinese nationaliteit, de vreemdeling,
en
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
Zitting: 18 juni 2001.
De vreemdeling noch zijn gemachtigde, mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, is verschenen.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. A.K. van de Ven.
I. PROCESVERLOOP
Op 30 december 2000 is de vreemdeling op grond van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40), verder te noemen Vw (oud), in bewaring gesteld, terwijl op diezelfde datum zijn uitzetting is gelast.
Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, van 7 februari 2001 en 15 mei 2001 zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 25 mei 2001, op diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, is namens de vreemdeling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.
Bij uitspraak van de rechtbank, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, van 5 juni 2001 is het beroep, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, gegrond verklaard. Voorts is bij deze uitspraak van de rechtbank de bewaring met onmiddellijke ingang opgeheven, en is het onderzoek voor zover het betreft het verzoek om schadevergoeding heropend.
Het verzoek om schadevergoeding is behandeld ter zitting van 18 juni 2001.
II. OVERWEGINGEN
Op grond van het bepaalde in artikel 106 van Pro de Vw2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. De artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.
In het onderhavige geval heeft deze rechtbank bij uitspraak van 5 juni 2001 de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van Pro de Vw2000 met ingang van 5 juni 2001 bevolen, aangezien verweerder niet tijdig een voortgangsrapportage had ingezonden.
Het belang van de vreemdeling bij de handhaving van het beroep is gelegen in de vaststelling of de maatregel van bewaring reeds op enig moment vóór de opheffing ervan door de rechtbank onrechtmatig was en, zo ja, of aanleiding bestaat tot toekenning van schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 van Pro de Vw2000.
Namens de vreemdeling is - kort weergegeven - aangevoerd dat de vreemdeling is veroordeeld tot drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Nu dit vonnis inmiddels onherroepelijk is geworden dient deze straf zo snel mogelijk geëxecuteerd te worden en moest de bewaring derhalve zo spoedig mogelijk opgeheven worden.
Naar de mening van de gemachtigde van de vreemdeling was verweerder reeds eerder op de hoogte van de onherroepelijke gevangenisstraf dan de in de gedingstukken genoemde datum, namelijk reeds op 17 mei 2001 in plaats van 6 juni 2001.
Verweerder stelt eerst op 6 juni 2001 op de hoogte te zijn gesteld van de onherroepelijk geworden gevangenisstraf van de vreemdeling.
De rechtbank overweegt als volgt.
Daargelaten de vraag wanneer verweerder exact op de hoogte was van de onherroepelijk geworden gevangenisstraf van de vreemdeling, naar het oordeel van de rechtbank kan voornoemde gevangenisstraf niet leiden tot het oordeel dat de vreemdelingrechtelijke bewaringvan de vreemdeling voorafgaande aan de opheffing daarvan door de rechtbank onrechtmatig is geworden.
Weliswaar vloeit uit artikel 561 van Pro het Wetboek van Strafvordering (WvSv) voort dat een dergelijke vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd zodra dit mogelijk is, doch dit laat onverlet dat ingevolge artikel 553 van Pro het Wetboek van Strafvordering uitsluitend het openbaar ministerie hiertoe bevoegd is. Enige vertraging in de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, zo hiervan in casu al sprake is, kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan verweerder worden tegengeworpen in die zin dat dit de onrechtmatigheid van de vreemdelingrechtelijke bewaring met zich zou brengen.
Het namens de vreemdeling ingediende verzoek om schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.
Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank,
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gedaan door mr. E.H.B.M Potters als rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Snoeij als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2001.
Afschrift verzonden: 03 juli 2001