ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6130
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na bewaring vreemdeling ondanks onherroepelijke gevangenisstraf
Een Guinese vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld en werd tegelijkertijd veroordeeld tot drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De vreemdeling stelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat de straf al onherroepelijk was en direct ten uitvoer had moeten worden gelegd. De rechtbank oordeelde dat hoewel artikel 561 WvSv Pro voorschrijft dat een gevangenisstraf zo spoedig mogelijk moet worden uitgevoerd, alleen het openbaar ministerie bevoegd is tot uitvoering volgens artikel 553 WvSv Pro.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring voorafgaand aan de opheffing niet onrechtmatig was en dat enige vertraging in de uitvoering van de straf niet aan verweerder kon worden toegerekend. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen. De rechtbank benadrukte dat de opheffing van de bewaring was bevolen vanwege het niet tijdig indienen van een voortgangsrapportage en dat er geen gronden waren om proceskosten toe te wijzen.
De uitspraak bevestigt dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van strafrechtelijke vrijheidsbeneming strikt bij het openbaar ministerie ligt en dat vreemdelingenbewaring niet automatisch onrechtmatig wordt door het bestaan van een onherroepelijke strafvonnis. Dit arrest verduidelijkt de verhouding tussen vreemdelingenbewaring en strafrechtelijke tenuitvoerlegging.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatige vreemdelingenbewaring wordt afgewezen.