ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6133
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op grond van witte-illegalenbeleid wegens onvoldoende bewijs ononderbroken verblijf
Verzoeker, een Marokkaanse vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning zonder beperkingen op grond van het witte-illegalenbeleid. Verweerder concludeerde dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden, met name het ontbreken van bewijs voor ononderbroken verblijf vanaf 1992.
Tijdens de zitting bood verzoeker getuigenverklaringen aan van zijn huisbaas en neef om zijn verblijf tussen 1996 en 1999 te staven. De president wees dit bewijsaanbod af omdat het beleid vereist dat de voorwaarden worden aangetoond met concrete, verifieerbare schriftelijke bewijsstukken, waarbij getuigenverklaringen slechts een beperkte aanvullende rol kunnen spelen.
Verzoeker overhandigde diverse documenten, waaronder bankmutaties en inschrijvingsbewijzen, maar deze boden onvoldoende bewijs voor het verblijf in Nederland gedurende de betwiste periode. De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt dat hij onafgebroken in Nederland verbleef en dat er geen andere humanitaire redenen waren om verblijf toe te staan.
De voorlopige voorziening werd afgewezen en het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2000 werd ongegrond verklaard. De rechtbank vond dat de uitzetting van verzoeker tijdens de bezwaarprocedure terecht niet was opgeschort en dat het witte-illegalenbeleid rechtmatig en niet onredelijk werd toegepast.
Uitkomst: Het verzoek om een verblijfsvergunning werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van ononderbroken verblijf, en het bezwaar werd ongegrond verklaard.