ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6158
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewaring vreemdeling wegens ontbreken geldige verblijfsvergunning en identiteitsbewijs
De vreemdeling, zonder geldige verblijfsvergunning en identiteitsbewijs, werd op 28 juni 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000), met het oog op uitzetting en openbare orde. De rechtbank oordeelt dat het voorafgaand verhoor niet kon worden afgewacht en dat het horen direct na inbewaringstelling op het politiebureau toereikend was.
De rechtbank stelt vast dat de Staatssecretaris van Justitie tijdig de Surinaamse autoriteiten heeft verzocht om een nieuwe laissez-passer, en dat de vertraging in het verkrijgen hiervan toe te rekenen is aan het recalcitrante gedrag van de vreemdeling. Mede gelet op het ontbreken van medewerking van de vreemdeling en zijn ouders, acht de rechtbank de bewaring gerechtvaardigd en niet onrechtmatig.
Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard. Er is geen reden om de bewaring op te heffen of schadevergoeding toe te kennen. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en ziet geen grond voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.