ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6159

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 juli 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/32896
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:52 Algemene wet bestuursrechtArt. 6:6 Algemene wet bestuursrechtArt. 85 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens termijnoverschrijding en onvoldoende zorgvuldigheid bij afwijzing verblijfsvergunning

Eiser, van Libische nationaliteit, diende op 15 juli 2001 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Verweerder wees deze aanvraag af binnen de zogenoemde AC-procedure, maar overschreed daarbij de wettelijke termijn van 48 procesuren. De rechtbank stelde vast dat de procedure 67 uur en 45 minuten duurde, waarbij verweerder onvoldoende inzicht gaf in de duur van de verschillende fasen van de procedure.

Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de beschikking niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand was gekomen. De zienswijze van eiser op het voornemen tot afwijzing was niet adequaat meegewogen, terwijl de overwegingen in de beschikking vrijwel woordelijk overeenkwamen met die in het voornemen. Dit ondermijnt het doel van de voornemenprocedure, namelijk het bieden van een reële mogelijkheid tot weerlegging.

Verweerder had ook inhoudelijk de aanvraag afgewezen wegens twijfel aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiser, die onder meer mishandeling en detentie in Libië had ervaren. De rechtbank ging hier niet inhoudelijk op in, omdat de procedurele tekortkomingen reeds voldoende waren voor gegrondverklaring van het beroep.

De rechtbank vernietigde de bestreden beschikking en bepaalde dat verweerder opnieuw op de aanvraag moet beslissen, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de beschikking vernietigd wegens termijnoverschrijding en onvoldoende zorgvuldigheid.

Uitspraak

UITSPRAAK
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE
Nevenzittingsplaats Groningen
Vreemdelingenkamer
Registratienummer: Awb 01/32896 BEPTDN
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A,
geboren op [...] 1978,
van Libische nationaliteit,
IND-dossiernummer 0107.15.8001
eiser,
gemachtigde: mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Utrecht,
en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE,
(Immigratie- en Naturalisatiedienst),
te 's-Gravenhage,
verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geschil
1.1 Op 15 juli 2001 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 19 juli 2001 afwijzend op de aanvraag beslist.
1.2 Bij beroepschrift van 19 juli 2001 heeft eiser tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld.
1.3 De rechtbank heeft op de voet van artikel 8:52 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat de zaak versneld wordt behandeld. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 27 juli 2001. Eiser heeft zich daarbij doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Hekman, kantoorgenoot van mr. Kleerekooper voornoemd. Namens verweerder is geen vertegenwoordiger ter zitting verschenen.
2. Rechtsoverwegingen
2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is tevens van belang of verweerder, met het oog op de in acht te nemen zorgvuldigheid, de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren heeft kunnen afwijzen.
Feiten en standpunten van partijen
2.2 Eiser heeft aan zijn aanvraag ten volgende ten grondslag gelegd. De vader van eiser is in juni 1999 uit Libië gevlucht omdat hij door de Libische autoriteiten werd beschuldigd van betrokkenheid bij de dood van een politieman. Na diens vertrek zijn eiser en zijn moeder regelmatig, in ieder geval één keer per maand, door de politie verhoord over de verblijfplaats van hun vader c.q. echtgenoot. Bovendien is enige tijd na het vertrek van zijn vader een politieofficier ingekwartierd in de ouderlijke woning, die eiser en zijn moeder vaak lastigviel. Eiser heeft hierover geklaagd bij de autoriteiten, doch zonder gevolg.
Op 23 maart 2001 is eiser opnieuw door de politie opgepakt. Deze keer heeft de politie hem te verstaan gegeven dat zij er zeker van was dat eisers vader bij de dood van de politieman betrokken was en dat zij van hem een opruiende brief hadden ontvangen. Na een week is eiser overgebracht naar een gevangenis. Tijdens de twee maanden dat hij gedetineerd is geweest is eiser over zijn vader ondervraagd en bovendien onder zware druk gezet om afstand te doen van de ouderlijke woning. In de gevangenis is eiser bij toeval in contact gekomen met een officier die bevriend was met zijn vader. Deze heeft hem tegen betaling helpen ontsnappen. Eiser is vervolgens zijn land ontvlucht, mede omdat hij vreest dat de familie van de vermoorde politieman wraak zal nemen.
2.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Voorts meent verweerder dat de aanvraag binnen achtenveertig proces-uren kon worden afgewezen. Daartoe heeft verweerder allereerst overwogen dat ernstige twijfel bestaat over de geloofwaardigheid van het relaas, nu niet valt in te zien dat eiser gedurende twee maanden is mishandeld om afstand te doen van een woning die feitelijk voor het grootste deel reeds in het bezit was van een politieofficier. Voorts valt niet in te zien dat een officier die hij bij toeval heeft ontmoet, zijn loopbaan op het spel zou zetten om eiser te helpen ontsnappen. Verweerder wijst er bovendien op dat eiser slechts via derden, en niet persoonlijk, vernomen heeft dat zijn vader zou zijn beschuldigd van moord op een politieman.
Verweerder heeft voorts overwogen dat het relaas, zo al geloofwaardig, in ieder geval onvoldoende zwaarwegend is om te concluderen tot vluchtelingschap. Eiser is bij zijn eerdere verhoren iedere keer zonder problemen en voorwaarden in vrijheid gesteld. Hij heeft ook op relatief eenvoudige wijze weten te ontsnappen hetgeen er te meer op duidt dat eiser niet in de bijzondere negatieve aandacht van de autoriteiten staat. Ten aanzien van eisers vrees het slachtoffer te worden van bloedwraak heeft verweerder overwogen dat een commuun delict geen aanknopingspunten biedt met het Vluchtelingenverdrag en dat hiertegen bovendien de bescherming van de autoriteiten kan worden ingeroepen. Van eiser kan bovendien worden gevergd dat hij zich elders in zijn land vestigt, te meer nu uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 april 2000 blijkt dat een verhuizing niet gemeld hoeft te worden bij de autoriteiten.
2.4 Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen in het AC. In de eerste plaats heeft verweerder de ter zake geldende termijnen overschreden. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte op geen enkele wijze eisers zienswijze naar aanleiding van het voornemen de aanvraag af te wijzen, bij de bestreden beslissing betrokken.
Beoordeling van het beroep
2.5 De rechtbank is met de gemachtigde van eiser van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat verweerder bij de behandeling van de aanvraag de termijn van 48 proces-uren heeft overschreden. Uit het procesdossier valt af te leiden dat de behandeling van de aanvraag is aangevangen met de aanmelding van eiser op 15 juli 2001 om 8.30 uur en dat deze is geëindigd met de uitreiking van de bestreden beschikking op 19 juli 2001 om 20.15 uur. De tijd tussen 22.00 uur en 8.00 uur niet meegerekend heeft de procedure derhalve 67 uur en drie kwartier in beslag genomen. De door verweerder in het dossier gevoegde afschriften uit het geautomatiseerde systeem waarin de voortgang wordt bijgehouden (ACLIS) zijn weliswaar kennelijk onvolledig en vermelden niet hoeveel tijd de rechtshulp in het AC heeft gebruikt om het rapport van nader gehoor en het voornemen te bespreken, hetgeen de mogelijkheid openlaat dat de lange duur van de procedure deels door de rechtshulp is veroorzaakt, doch de rechtbank overweegt dat het in beginsel aan verweerder is om inzicht te verschaffen in de duur van de verschillende fasen in de procedure en dat indien verweerder daarbij in gebreke blijft, dit voor zijn rekening en risico dient te komen. De rechtbank stelt overigens vast dat, zelfs indien er van zou moeten worden uitgegaan dat de rechtshulp de gehele termijn van 18 juli 2001 om 15.20 uur, het moment waarop een kopie van het nader gehoor aan de rechtshulp is uitgereikt, tot 19 juli 2001 om 20.15, het moment waarop de beschikking is uitgereikt, gebruikt heeft, de voor de rechtshulp beschikbare termijn van drie uur met 15 uur en 55 minuten is overschreden, hetgeen onvoldoende is om de termijnoverschrijding aan de zijde van verweerder te rechtvaardigen.
Verweerder voert blijkens hoofdstuk C3/12.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc. 2000) het beleid dat overschrijding van de termijn van 48 proces-uren in principe tot gevolg heeft dat de aanvraag niet in het AC wordt afgedaan. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden die, ondanks de (ruime) overschrijding van de ter zake gestelde termijn, rechtvaardigen dat de aanvraag met toepassing van de AC-procedure is afgedaan. Het beroep is reeds hierom gegrond.
2.6 De rechtbank is bovendien met de gemachtigde van eiser van oordeel dat verweerder bij de totstandkoming van de bestreden beschikking niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, nu in de beschikking de zienswijze van eiser op verweerders voornemen om de aanvraag af te wijzen, niet kenbaar is meegewogen. Met name de door verweerder geconstateerde ongeloofwaardigheid van het relaas wordt in de zienswijze gemotiveerd betwist, terwijl de overwegingen ter zake in de bestreden beschikking (vrijwel) woordelijk gelijk zijn aan de overwegingen die in het voornemenformulier zijn opgenomen. De rechtbank acht in dit verband niet voldoende dat, voorafgaande aan de inhoudelijke overwegingen, in de beschikking is opgenomen dat de zienswijze bij de beoordeling in aanmerking is genomen en dat deze niet tot een ander oordeel leidt. Aan de voornemenprocedure, welke immers tot doel heeft de asielzoeker in de gelegenheid te stellen de voorgenomen afwijzing te betwisten, wordt geen recht gedaan indien verweerder aan een gemotiveerde zienswijze met een dergelijke algemene formulering zou kunnen voorbijgaan.
2.7 Gezien het voorgaande kan de bestreden beschikking geen stand houden en zal het beroep gegrond worden verklaard. Verweerder zal worden opgedragen om opnieuw op de aanvraag te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
2.8 Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op f 1.420,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt f 710,-- en wegingsfactor 1).
3. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beschikking van 19 juli 2001;
- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad f 1.420,--, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze aan eiser dient te vergoeden.
Aldus gegeven door mr. C. van den Noort en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J. van Bruggen als griffier op 30 juli 2001.
griffier rechter
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Op de voet van artikel 85 Vw Pro 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:6 Awb Pro is niet van toepassing.
Afschrift verzonden op: 30 juli 2001