ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6165
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mandaatverlening hulpofficier van Justitie bij inbewaringstelling vreemdeling
Eiser, een vreemdeling van Albanese nationaliteit, werd op 9 juli 2001 in bewaring gesteld door een hulpofficier van Justitie. Eiser voerde aan dat deze hulpofficier niet bevoegd was tot inbewaringstelling omdat de mandatering niet voldeed aan de vereisten van artikel 10:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens eiser ontbrak de instemming van de hulpofficier en diens verantwoordelijke, en was de mandatering niet neergelegd in een wettelijk voorschrift.
De rechtbank onderzocht of de hulpofficier ondergeschikt was aan de Minister van Justitie, wat bepalend is voor de toepassing van artikel 10:4 Awb Pro. De rechtbank concludeerde dat de hulpofficier niet ondergeschikt is omdat hij geen dienstverband heeft met de Minister en dat de Minister slechts individuele aanwijzingen kan geven, niet algemene. De mandatering in artikel 5.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 kan daarom niet als wettelijk voorschrift gelden.
Desondanks oordeelde de rechtbank dat uit de feitelijke uitoefening van het mandaat door de hulpofficier en de bestendige praktijk van inbewaringstelling door politieambtenaren, tevens hulpofficieren, kan worden afgeleid dat de instemming met de mandaatverlening aanwezig is. Tevens is de korpschef hiervan op de hoogte en heeft geen bezwaar gemaakt.
Verder stelde de rechtbank vast dat eiser geen identiteitspapier heeft, verdacht wordt van een misdrijf en geen rechtmatig verblijf heeft, waardoor de inbewaringstelling gerechtvaardigd is. De voortvarendheid van de uitzettingsprocedure werd als voldoende beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.