ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6178
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid staandehouding en bewaring vreemdeling zonder verblijfsvergunning
De vreemdeling, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, werd staandegehouden omdat hij zich in een voertuig bevond waarvan de bestuurster niet kon legitimeren en vermoed werd dat zij illegaal in Nederland verbleef. De rechtbank achtte het redelijk vermoeden van illegaal verblijf ook van toepassing op de inzittende, de vreemdeling, die verklaarde geen verblijfsvergunning te bezitten.
De rechtbank stelde vast dat de staandehouding en ophouding ter verhoor op rechtmatige wijze waren toegepast conform artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Vervolgens werd de vreemdeling in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vw Pro 2000, vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning, het ontbreken van een identiteitsbewijs en het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.
De rechtbank vond dat de bewaring gerechtvaardigd was, gelet op de belangen van openbare orde en uitzetting, en dat de overheid voldoende voortvarend te werk ging om uitzetting binnen een redelijke termijn te realiseren. Het beroep tegen de bewaring werd daarom ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat de staandehouding en bewaring rechtmatig zijn toegepast.