ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6179
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling wegens redelijk vermoeden illegaal verblijf
De vreemdeling, van Turkse nationaliteit, werd op 13 juli 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.
De staandehouding vond plaats nadat de bestuurder van de auto waarin de vreemdeling zat een verkeersovertreding beging en geen rijbewijs kon tonen. De bestuurder gaf aan geen identiteitsdocument te bezitten. De agenten vroegen vervolgens aan de inzittenden, via vertaling door de bestuurder, of zij een rijbewijs hadden, waarop negatief werd geantwoord. Dit leidde tot het redelijk vermoeden van illegaal verblijf van alle inzittenden.
De rechtbank oordeelde dat de staandehouding en ophouding rechtmatig waren, ondanks dat het later bleek dat de bestuurder rechtmatig verbleef. De vreemdeling beschikte niet over een geldige verblijfsvergunning en verbleef al een jaar zonder zich te melden bij de vreemdelingendienst, wat het vermoeden versterkte dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken.
Verweerder handelde voortvarend en de vreemdeling werd op 25 juli 2001 naar Istanbul verwijderd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wegens redelijk vermoeden van illegaal verblijf wordt ongegrond verklaard.