ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6249
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A.A. Mondt-Schouten
- W.J. van Bennekom
- R.H.M. Bruin
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning op grond van TBV wegens onvoldoende bewijs ononderbroken verblijf
Eiser, een Turkse vreemdeling die sinds begin 1982 in Nederland verblijft, diende een aanvraag in op grond van de Tijdelijke regeling witte illegalen (TBV) 1999/23 voor verlening van een verblijfsvergunning. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de cumulatieve voorwaarden, met name het ononderbroken verblijf in Nederland van 1 januari 1992 tot 30 juni 1993.
Eiser voerde aan dat hij in die periode wel in Nederland verbleef en overlegde diverse bewijsstukken, waaronder werkgeversverklaringen, loonstroken, huurovereenkomsten en getuigenverklaringen. Verweerder stelde dat deze stukken niet overtuigend waren en dat eiser onjuiste gegevens had verstrekt, mede gelet op eerdere procedures.
De rechtbank oordeelde dat verweerder binnen zijn beleidsvrijheid de voorwaarden van de TBV mocht toepassen en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in de betwiste periode ononderbroken in Nederland verbleef. De verstrekte bewijsstukken waren niet consistent en onvoldoende objectief. Ook de discretionaire bevoegdheid van verweerder om van de voorwaarden af te wijken werd niet geacht te zijn geschonden.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning op grond van de TBV is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van ononderbroken verblijf.