ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6295
Rechtbank 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek staatloze Koerd uit Syrië wegens onvoldoende bewijs vervolgingsgevaar
Eiser, een staatloze Koerd uit Syrië, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van asiel. Hij stelde dat hij vanwege zijn Koerdische afkomst en politieke sympathieën vervolging en discriminatie in Syrië ondervindt, waaronder het risico op gevangenisstraf en marteling bij terugkeer. Tijdens de procedure gaf eiser aanvankelijk onvolledige en tegenstrijdige verklaringen over zijn situatie, lidmaatschap van de Yeketi-partij en het bezit van documenten.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een vluchteling was of dat er klemmende humanitaire redenen waren om hem verblijf te verlenen. De rechtbank oordeelde dat de ervaren discriminatie niet volstond voor het kwalificeren als vervolging. Ook was niet aannemelijk dat eiser een reëel risico liep op foltering of onmenselijke behandeling bij terugkeer, mede gelet op het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken en het ontbreken van bewijs dat het Syrische regime asielaanvragen in het buitenland als vijandige daad beschouwt.
De rechtbank merkte op dat eiser zijn verhaal pas tijdens de zitting aanvulde en wijzigde, maar dat deze verklaringen onvoldoende overtuigend waren. Het feit dat eiser in Nederland asiel aanvraagt, impliceert vertrouwen in de Nederlandse overheid en maakt het onwaarschijnlijk dat hij niet zou hebben geweten dat hij zijn situatie moest toelichten. De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de criteria voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiser op een verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van vervolgingsgevaar of schending van artikel 3 EVRM.