ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6326
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak en voorwaardelijke veroordeling wegens medeplichtigheid en medeplegen handel in verboden middelen
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde op 28 november 2001 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van betrokkenheid bij de handel in XTC-pillen. Tijdens de terechtzitting van 14 november 2001 werd verdachte gehoord en bijgestaan door raadsman. De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het primair ten laste gelegde feit en veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor de subsidiaire en tweede tenlastelegging.
De rechtbank achtte het primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte daarvan vrij. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte medeplichtig was aan het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet door het beschikbaar stellen van een bedrijfsruimte waarin verboden stoffen werden verwerkt en dat hij medepleegde bij de handel in grote hoeveelheden XTC-pillen. Verdachte moest rekening houden met de aanwezigheid van verboden middelen in zijn bedrijfsruimte en speelde daarmee een rol in de distributie van schadelijke stoffen.
De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoonlijke situatie van verdachte, die niet eerder met justitie in aanraking was geweest. De opgelegde straf bestond uit een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werden diverse inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer vanwege hun betrokkenheid bij de strafbare feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens medeplichtigheid en medeplegen bij handel in verboden middelen.