ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6387
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak en veroordeling voor handel en medeplegen van opiumdelicten
De rechtbank 's-Gravenhage heeft op 27 november 2001 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van handel in XTC-pillen en amfetamine. De rechtbank sprak verdachte vrij van de primair ten laste gelegde feiten omdat de pillen niet konden worden onderzocht op verboden stoffen en er onvoldoende bewijs was.
Wel achtte de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan het medeplegen van een feit als bedoeld in artikel 10 van Pro de Opiumwet, namelijk het voorbereiden en bevorderen van het in omloop brengen van grote hoeveelheden XTC-pillen bestemd voor de handel. De strafbaarheid werd bevestigd omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig waren.
Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis had doorgebracht. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het was gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder eerdere justitiële contacten.
De rechtbank verklaarde niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde feiten had gepleegd en sprak hem daarvan vrij. De straf is opgelegd in overeenstemming met de ernst van het feit en de maatschappelijke belangen bij bestrijding van drugscriminaliteit.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van een opiumdelict, na vrijspraak van de primair ten laste gelegde feiten.