ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6617
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens niet-tijdige kennisgeving voortduring bewaring vreemdeling
De vreemdeling, van Algerijnse nationaliteit, werd op 4 april 2001 in bewaring gesteld. Na een eerdere afwijzing van beroep tegen de bewaring, stelde hij op 30 mei 2001 beroep in tegen de voortduring van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de rechtbank uiterlijk op 17 mei 2001 had moeten informeren over de voortzetting van de bewaring, maar dit niet tijdig had gedaan. Hierdoor werd de voortzetting van de bewaring vanaf 18 mei 2001 onrechtmatig, en had de vreemdeling recht op schadevergoeding over die periode tot de opheffing van de bewaring op 8 juni 2001.
Verweerder voerde aan dat het niet tijdig doen van de kennisgeving een formeel gebrek was en dat de schadevergoeding gematigd moest worden, maar de rechtbank verwierp dit omdat de termijn voor kennisgeving een essentiële waarborg vormt onder artikel 5 EVRM Pro. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van ƒ 3.150,-- voor 21 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder in de proceskosten.
De rechtbank benadrukte dat verweerder zich binnen de wettelijke termijn van vier weken een oordeel moet vormen over de rechtmatigheid van voortzetting van de bewaring en de rechtbank hierover moet informeren. De voortvarendheid van het onderzoek naar identiteit en nationaliteit tot 17 mei 2001 werd voldoende geacht.
Uitkomst: De rechtbank kende schadevergoeding toe wegens niet-tijdige kennisgeving van de voortzetting van de bewaring vanaf 18 mei 2001 tot 8 juni 2001.