ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6640
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting vreemdeling
De vreemdeling is op 27 juni 2001 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. In het eerste beroep tegen deze maatregel stelt de vreemdeling dat de Staatssecretaris van Justitie onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Verweerder betoogt dat in eerste aanleg alleen de rechtmatigheid van de oplegging getoetst mag worden en niet de voortvarendheid.
De rechtbank volgt deze uitleg niet en stelt dat ook in eerste aanleg de voortvarendheid moet worden beoordeeld, zij het dat deze toetsing indringender wordt naarmate de bewaring langer duurt. Verweerder kon echter niet aantonen welke stappen na de inbewaringstelling zijn genomen om de uitzetting voor te bereiden, waardoor de rechtbank haar toetsende rol niet kon vervullen.
Gezien het ontbreken van inzicht in de voortgang van de uitzetting acht de rechtbank de voorbereiding onzorgvuldig en beveelt zij de opheffing van de bewaring met ingang van 10 juli 2001. Tevens veroordeelt de rechtbank de verweerder in de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De rechtbank heft de bewaring van de vreemdeling op wegens onvoldoende voortvarendheid van de uitzetting door de IND.