ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6662
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens ontbreken proces-verbaal ophouding
De vreemdeling, van Oezbeekse nationaliteit, werd op 2 juni 2001 strafrechtelijk aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld. Op 5 juni 2001 werd hij overgedragen aan de vreemdelingendienst, staande gehouden en later die dag in bewaring gesteld. In het dossier ontbraken echter cruciale stukken, waaronder het proces-verbaal van ophouding, waardoor niet kon worden vastgesteld op welke grond de vrijheid van de vreemdeling tussen staandehouding en bewaring was ontnomen.
De rechtbank constateerde dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was, mede omdat de vreemdeling niet tijdig door de rechtbank was gehoord zoals vereist volgens de Vreemdelingenwet 2000. Miscommunicatie tussen vreemdelingendiensten over transportverantwoordelijkheid bood geen rechtvaardiging voor deze tekortkomingen.
Hoewel de bewaring onrechtmatig was, oordeelde de rechtbank dat de beperkte duur van de vrijheidsontneming en het feit dat de vreemdeling werd gehoord tijdens deze periode, samen met zijn onrechtmatig verblijf en het niet melden, aanleiding gaven om het verzoek om schadevergoeding af te wijzen.
De rechtbank beval de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring en veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten. Tegen dit vonnis staat hoger beroep open bij de Raad van State.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid, het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.