ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6690
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens niet tijdig horen rechtbank
De vreemdeling, met de Rwandese nationaliteit, werd op 26 mei 2001 in bewaring gesteld wegens het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en het vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. De bewaring was aanvankelijk rechtmatig tot en met 5 juni 2001.
De rechtbank constateerde dat de vreemdeling niet binnen de wettelijke termijn door de rechtbank was gehoord, omdat werd aangenomen dat hij al op 30 mei 2001 was uitgezet. Dit bleek niet het geval; de bewaring werd pas op 6 juli 2001 opgeheven. Hierdoor was de voortzetting van de bewaring na 5 juni 2001 onrechtmatig.
De rechtbank oordeelde dat dit niet voor risico van de vreemdeling kwam en kende daarom een schadevergoeding toe voor 30 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend. Het beroep werd gegrond verklaard en de Staatssecretaris van Justitie werd veroordeeld tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdeling ontvangt een schadevergoeding van 4.500 gulden wegens onrechtmatige bewaring.