ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6733
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van inbewaringstelling vreemdeling na afwijzing verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling, afkomstig uit Sierra Leone, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke op 27 april 2001 werd afgewezen. In de beschikking werd hem opgelegd Nederland onmiddellijk, binnen 24 uur, te verlaten. De vreemdeling werd vervolgens op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Namens de vreemdeling werd aangevoerd dat hij onvoldoende tijd had gekregen om het land uit eigen beweging te verlaten binnen de gestelde vertrektermijn, waardoor de inbewaringstelling onrechtmatig zou zijn. De rechtbank verwierp dit verweer en stelde vast dat de vertrektermijn van 'binnen 24 uur' feitelijk neerkomt op een nul-dagen-termijn, hetgeen in lijn is met het door de overheid gevoerde beleid.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan manifest bedrog door onjuiste leeftijdsgegevens te verstrekken, wat de openbare orde raakt. Gezien het ontbreken van rechtmatig verblijf en het vermoeden dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken, was de inbewaringstelling gerechtvaardigd.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet in strijd was met de Vreemdelingenwet 2000 en dat de belangenafweging niet tot een onredelijke uitkomst leidde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de inbewaringstelling.