ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6736
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A. Vermeulen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid bij aanvraag laissez-passer en voortduring vrijheidsontneming
Eiser, een vreemdeling van vermoedelijk Libanese nationaliteit, is op 23 april 2001 in bewaring gesteld. Na eerdere beroepen tegen de vrijheidsontneming die ongegrond werden verklaard, is het huidige beroep gericht tegen de voortzetting van deze maatregel. Verweerder heeft een aanvraag voor een laissez-passer voor Algerije ingediend, nadat uit een verklaring van de Libanese consul bleek dat eiser waarschijnlijk uit Algerije afkomstig is.
Door omstandigheden, waaronder de afzondering van eiser wegens onrust in de penitentiaire inrichting, kon het geplande verhoor op 26 juni 2001 niet plaatsvinden. Pas op 26 juli 2001 vond het verhoor plaats en werd de aanvraag voor de laissez-passer ondertekend en ingediend bij de laissez-passerkamer. Hoewel de aanvraag van 30 april 2001 nooit door de laissez-passerkamer is ontvangen, oordeelt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.
De rechtbank benadrukt dat het interne handelen van verweerder, zoals het indienen van de aanvraag bij de laissez-passerkamer, niet meeweegt in de beoordeling van voortvarendheid ten opzichte van eiser. Verder is vastgesteld dat verweerder het traject bij de Libanese autoriteiten op goede gronden heeft afgewacht en dat er geen sprake is van onvoldoende zicht op de uitzetting van eiser.
Gelet op deze omstandigheden en belangenafweging acht de rechtbank de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel gerechtvaardigd en weigert zij het beroep en het verzoek om schadevergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.