ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6749
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Wolthuis
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring door oneigenlijk gebruik strafrechtelijke bevoegdheden
De vreemdeling werd aanvankelijk strafrechtelijk aangehouden en in verzekering gesteld wegens winkeldiefstal. Na uitreiking van de dagvaarding op 1 augustus 2001 om 17.08 uur bleef de inverzekeringstelling bijna zestien uur voortduren, uitsluitend om de overgang naar vreemdelingenbewaring mogelijk te maken, die pas kon starten nadat het elektronische vreemdelingendossier beschikbaar was.
De rechtbank stelt vast dat na de dagvaarding geen strafrechtelijk belang meer bestond om de inverzekeringstelling voort te zetten. Het vasthouden van de vreemdeling gedurende deze periode was daarmee een oneigenlijk gebruik van strafrechtelijke bevoegdheden (détournement de pouvoir). Hierdoor was de daaropvolgende vreemdelingenbewaring onrechtmatig.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt de opheffing van de bewaring en kent de vreemdeling een schadevergoeding toe van 1950 gulden voor de onrechtmatige vrijheidsbeneming. Tevens worden proceskosten aan de Staat der Nederlanden opgelegd.
De uitspraak benadrukt dat hoewel de rechter in vreemdelingenzaken doorgaans niet toetst aanwending strafrechtelijke bevoegdheden, een uitzondering geldt bij kennelijk oneigenlijk gebruik zonder strafrechtelijk belang. De zaak illustreert de noodzaak van zorgvuldige scheiding tussen strafrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke procedures.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig wegens oneigenlijk gebruik van strafrechtelijke bevoegdheden, met toekenning van schadevergoeding en opheffing van de bewaring.