ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6752
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring en uitzetting vreemdelinge zonder afzonderlijk verhoor
De vreemdelinge, met de Joegoslavische nationaliteit, werd op 7 augustus 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 vanwege een ernstig vermoeden van illegaal verblijf en het risico op ontduiking van uitzetting. Het beroep richtte zich tegen deze vrijheidsontnemende maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring en de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor rechtmatig waren toegepast. Hoewel de vreemdelinge niet voorafgaand aan de uitzetting op dezelfde dag afzonderlijk werd verhoord, vond de rechtbank dit niet onrechtmatig omdat identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie reeds vaststonden en de vreemdelinge vooraf was gewezen op haar recht op rechtsbijstand, waarvan zij geen gebruik maakte.
De rechtbank concludeerde dat de belangenafweging tussen het beperken van de duur van vrijheidsontneming en het recht op hoor en wederhoor in deze situatie ten gunste van een snelle uitzetting uitviel. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring en uitzetting van de vreemdelinge wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.