ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6772
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Ollerman
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing derdelandenexceptie bij verblijfsvergunning Afghaanse asielzoeker
Eiser, een Afghaanse staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van asiel. Verweerder weigerde deze vergunning omdat eiser vijf à zes dagen in Pakistan verbleef voordat hij naar Nederland kwam, waarbij de zogenoemde derdelandenexceptie werd toegepast. De rechtbank oordeelt dat deze exceptie onvoldoende gemotiveerd is toegepast, mede omdat de duur van het verblijf in Pakistan niet adequaat is meegewogen, terwijl dit volgens beleidsregels wel vereist is.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen persoonlijk risico op vervolging door de Taliban heeft aangetoond en dat zijn vertrek uit Afghanistan vooral te wijten was aan de algemene oorlogssituatie. Ook is onvoldoende onderzocht of Pakistan als derde land daadwerkelijk een verblijfsalternatief vormt, mede gezien de veranderde omstandigheden na 11 september 2001 en de vluchtelingenproblematiek in Pakistan.
Hierdoor is het bestreden besluit niet in overeenstemming met het geldende recht en dient het te worden vernietigd voor zover het de derdelandenexceptie betreft. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de proceskosten van eiser. Het beroep wordt verder ongegrond verklaard. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning op grond van de derdelandenexceptie wordt vernietigd.