ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6821
Rechtbank 's-Gravenhage
- Mondelinge uitspraak
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
De vreemdeling werd op 19 augustus 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en het vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. Bij beroepschrift van 20 augustus 2001 werd beroep ingesteld tegen deze bewaring.
Tijdens de zitting op 27 augustus 2001 verscheen de vreemdeling niet persoonlijk, maar werd hij gedeeltelijk vertegenwoordigd door een kantoorgenoot van zijn raadsman. De rechtbank oordeelde dat de inbewaringstelling op een juiste grondslag berustte, mede omdat er een reëel zicht op uitzetting naar China bestond en met voldoende voortvarendheid aan deze uitzetting werd gewerkt.
De rechtbank stelde vast dat de vreemdeling verdacht werd van het gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument bij binnenkomst in Nederland, wat een strafbaar feit oplevert. Gezien deze feiten en de omstandigheden achtte de rechtbank de bewaring noodzakelijk ter bescherming van de openbare orde.
Hoewel de vreemdeling niet persoonlijk ter zitting was verschenen, was een aanvang gemaakt met het horen van de vreemdeling bij raadsman, wat in deze uitzonderlijke situatie toereikend werd geacht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen, aangezien de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had en geen vaste woon- of verblijfplaats kon aantonen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.