ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6832
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- K.I. Hilberts-de Jong
- Rechtspraak.nl
Vernietiging voorlopige maatregel van vreemdelingenbewaring wegens wettelijke bevoegdheid artikel 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling, uitgeleverd door Canadese autoriteiten en sinds mei 2001 in voorlopige hechtenis, maakte bezwaar tegen meerdere voorlopige maatregelen van vreemdelingenbewaring opgelegd door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Het beroep werd beperkt tot de maatregel van 14 augustus 2001.
De rechtbank oordeelde dat de vreemdeling voldoende procesbelang had, ondanks onduidelijkheid over het moment van opheffing van de strafrechtelijke detentie. De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van de voorlopige maatregel van bewaring, die volgens de vreemdeling onrechtmatig was vanwege het ontbreken van kennisgeving, onjuiste gronden voor het belang van openbare orde en gebrek aan zicht op uitzetting.
De rechtbank stelde vast dat de voorlopige maatregel van bewaring was ingesteld binnen het kader van het VRIS-project, gericht op het verkorten van vreemdelingenbewaring en het voorkomen van illegaliteit na hechtenis. Echter, sinds de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 biedt artikel 50 lid 3 een Pro wettelijke bevoegdheid om een vreemdeling na strafrechtelijke detentie maximaal zes uur op te houden voor verhoor en voorbereiding van inbewaringstelling.
Deze wettelijke grondslag maakt de niet op de wet gebaseerde voorlopige maatregel van bewaring overbodig. De rechtbank vernietigde daarom de voorlopige maatregel van 14 augustus 2001 en verklaarde het beroep gegrond. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de voorlopige maatregel van vreemdelingenbewaring van 14 augustus 2001 wegens het bestaan van een wettelijke grondslag in artikel 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000.