ECLI:NL:RBSGR:2001:AD6958
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening en artikel 3 EVRM
Verzoekers, afkomstig uit Turkije en bestaande uit een gezin met minderjarige kinderen, hebben asiel aangevraagd in Nederland. Duitsland heeft de Dublinclaim gehonoreerd, waardoor Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvraag. Verzoekers stelden dat Duitsland een andere interpretatie hanteert van het Vluchtelingenverdrag ten aanzien van Turkse Koerden die actief zijn geweest voor de PKK, wat zou leiden tot een risico op refoulement.
De rechtbank overweegt dat zowel het Vluchtelingenverdrag als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) bescherming bieden tegen refoulement, maar dat deze verdragen niet verplichten tot het verlenen van een verblijfsvergunning. De bescherming op grond van artikel 3 EVRM Pro is ruimer dan die van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank stelt dat de eis dat de vreemdeling aantoonbaar uitgeprocedeerd moet zijn en in het verantwoordelijke Dublinland met onmiddellijke uitzetting wordt bedreigd, niet volgt uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Verzoekers hebben niet voldoende gemotiveerd of aannemelijk gemaakt dat Duitsland hen in strijd met artikel 3 EVRM Pro zal terugzenden naar Turkije. Ook medische problemen van verzoekers vormen geen beletsel voor overdracht aan Duitsland. De rechtbank concludeert dat de beslissing van de staatssecretaris om de aanvraag niet in te willigen terecht is en verklaart het bezwaar ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en er worden geen kostenvergoedingen toegekend.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening en het bezwaar af en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag.