ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7020
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van verblijfsalternatief in Noord-Irak na AC-procedure
Eisers, Syrisch-orthodoxe christenen uit Irak, vroegen asiel aan in Nederland maar hun aanvragen werden afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie op grond van de Vreemdelingenwet 2000, met name artikel 29 en Pro 31. Verweerder oordeelde dat eisers niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij een verblijfsvergunning konden krijgen en dat zij toerekenbaar niet beschikten over noodzakelijke documenten. Tevens werd geoordeeld dat eisers een verblijfsalternatief hadden in Noord-Irak, waar geen categoriale humanitaire noodsituatie bestond.
De rechtbank overwoog dat de verklaringen van eisers tegenstrijdig en bevreemdingwekkend waren, waardoor de geloofwaardigheid ontbrak. Ook achtte de rechtbank de ontsnapping uit het ziekenhuis onaannemelijk. Eisers konden niet aannemelijk maken dat zij vervolging of een reëel risico op foltering of onmenselijke behandeling liepen. De rechtbank bevestigde dat verweerder de beoordelingsvrijheid had om te oordelen dat Noord-Irak een verblijfsalternatief was, mede op basis van ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken.
Eisers voerden aan dat hun Syrisch-orthodoxe geloof onvoldoende was meegewogen en dat het nader gehoor door tolksproblemen niet goed was verlopen, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren. De rechtbank stelde dat de AC-procedure binnen 48 proces-uren correct was gevolgd en dat de besluiten zorgvuldig waren genomen. Het beroep werd ongegrond verklaard en partijen werden niet veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de verblijfsvergunningen worden ongegrond verklaard omdat eisers een verblijfsalternatief hebben in Noord-Irak en hun verklaringen onvoldoende aannemelijk zijn.