ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7074
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling wegens niet tijdig horen rechtbank
Een vreemdeling met de Tsjechische nationaliteit werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 wegens illegaal verblijf en verdenking van een strafbaar feit. De vreemdeling werd opgeroepen om persoonlijk te verschijnen bij de rechtbank, maar verscheen niet omdat hij niet werd vervoerd ondanks een transportorder.
De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig kunnen horen van de vreemdeling door de rechtbank in strijd was met artikel 94, tweede lid, tweede volzin, Vreemdelingenwet 2000, en daarom de bewaring per 19 juni 2001 moest worden opgeheven. De rechtbank vond het onwenselijk dat de gedingstukken niet tijdig aan de gemachtigde waren toegezonden, maar achtte dit niet reden voor nadelige gevolgen voor de vreemdeling.
De geuite bezwaren over het strafrechtelijk voortraject en het verhoor in het Engels werden verworpen. Ook het ontbreken van een advocaat bij het verhoor werd niet als onrechtmatig beoordeeld omdat de vreemdeling was gewezen op zijn recht op bijstand en hiermee had ingestemd.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring, afgezien van het niet tijdig horen, rechtmatig was en dat het niet tijdig horen alleen tot schadevergoeding kan leiden indien de bewaring na de termijn van artikel 94 Vw2000 voortduurt, wat hier niet het geval was. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.
De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten aan de gemachtigde van de vreemdeling en wees op de mogelijkheid van hoger beroep tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling werd opgeheven wegens niet tijdig horen door de rechtbank, het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.