ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7083
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling wegens redelijk vermoeden illegaal verblijf
De vreemdeling, een Oekraïense nationaliteit dragend persoon, werd staande gehouden als passagier van een auto waarvan de bestuurder eerder was aangehouden wegens vermoedelijk illegaal verblijf. De rechtbank oordeelt dat er voldoende feiten en omstandigheden zijn die een redelijk vermoeden van illegaal verblijf van de vreemdeling in Nederland rechtvaardigen, zoals bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank baseert zich onder meer op het proces-verbaal waarin de bestuurder verklaarde geen geldig paspoort te bezitten en de bijrijder geen duidelijke antwoorden gaf. De vreemdeling beschikt niet over een geldige verblijfsstatus, identiteitsbewijs, noch een vaste woon- of verblijfplaats en heeft gebruik gemaakt van aliassen, wat het ernstige vermoeden versterkt dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.
De rechtbank stelt vast dat de bewaring rechtmatig is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000, in het belang van de openbare orde en met het oog op uitzetting. Er is voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er zijn geen aanwijzingen voor het toewijzen van proceskosten aan een van de partijen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wegens redelijk vermoeden van illegaal verblijf wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.