ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7098
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke context
Eiser, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd op 23 oktober 2001 een maatregel van bewaring opgelegd met het oog op uitzetting. De maatregel trad in werking op 24 oktober 2001, aansluitend op het einde van zijn strafrechtelijke detentie. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en voerde aan dat het een voorlopige maatregel van bewaring betrof, welke volgens hem in strijd zou zijn met de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
De rechtbank stelde vast dat de maatregel niet als voorlopige maatregel kon worden aangemerkt, omdat er geen onduidelijkheid bestond over het moment van beëindiging van de strafrechtelijke detentie en de aanvang van de vreemdelingenrechtelijke bewaring. Tevens zou een voorlopige maatregel slechts drie dagen gelden, wat niet het geval was. De rechtbank ging daarom niet in op de vraag of voorlopige maatregelen in strijd zijn met de Vw 2000.
Verder oordeelde de rechtbank dat het dossier van verweerder niet volledig was, maar dat dit niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring. Gezien het ontbreken van een geldige verblijfsstatus, het ontbreken van een identiteitsbewijs, onvoldoende middelen van bestaan en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, was de vrees gerechtvaardigd dat eiser zich aan uitzetting zou onttrekken. Ook de ernst van eerdere strafbare feiten speelde een rol.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.