ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7105

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 september 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/45105
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 69 VwArt. 96 VwArt. 8:77 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling in het kader van uitzetting

De zaak betreft een beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring van een vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was eerder opgelegd en reeds getoetst door de rechtbank, die op 14 augustus 2001 de rechtmatigheid ervan had bevestigd. Het huidige beroep richt zich op de voortzetting van deze maatregel.

Verweerder heeft vervolgkennisgevingen en voortgangsrapportages (model M 120-A) overgelegd, inclusief een telefoongespreknotitie waaruit blijkt dat er wekelijks contact is met de Surinaamse autoriteiten over de uitzetting. De rechtbank oordeelt dat deze gegevens voldoende voortvarendheid tonen in de voorbereiding van de uitzetting.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet in strijd is met de Vreemdelingenwet en dat er geen reden is om de maatregel op te heffen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft van kracht. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE DEN HAAG
zittinghoudende te Utrecht
Reg.nr.: AWB 01/45105 VRONTN
UITSPRAAK ex artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vw Pro, toegepast ten aanzien van de vreemdeling, genaamd, althans zich noemende:
A,
geboren op [...] 1957,
van Surinaamse nationaliteit,
verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te Hoogeveen, eiser, gemachtigde: mr. P.S.J. Nuijten, advocaat te Amsterdam,
tegen een besluit van
de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.
1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Verweerder heeft op 15 juni 2001 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, onder a, Vw opgelegd. Bij uitspraak van 14 augustus 2001 is het beroep daartegen ongegrond verklaard. Deze maatregel duurt nog steeds voort.
1.2 Verweerder heeft op 10 september 2001 de rechtbank op grond van artikel 96, eerste lid, Vw een vervolgkennisgeving gezonden van het voortduren van de vrijheidsbeneming van eiser. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
1.3 Vervolgens heeft de rechtbank door middel van een faxbericht van 11 september 2001 de gemachtigde van eiser de gelegenheid geboden om binnen twee werkdagen na ontvangst van de door verweerder verstrekte inlichtingen schriftelijk te reageren en daarbij gemotiveerd aan te geven, waarom de behandeling van de vervolgkennisgeving niet ter zitting achterwege mag blijven, alsmede of de vreemdeling in persoon door de rechtbank gehoord wil worden.
1.4 De rechtbank heeft – mede gelet op de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser gemotiveerd heeft aangegeven dat de behandeling van de vervolgkennisgeving ter zitting niet achterwege mag blijven – op grond van artikel 96, tweede lid, Vw op 12 september 2001 bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege blijft.
1.5 Onderhavig beroep is op zitting behandeld op 18 september 2001, alwaar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.
2. OVERWEGINGEN
2.1 Ingevolge artikel 96, vierde lid, van de Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel tot bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
2.2 Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring reeds eerder heeft getoetst en dat bij uitspraak van 14 augustus 2001 is komen vast te staan dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op dat moment rechtmatig waren. Derhalve staat thans slechts ter beoordeling of sedert genoemde uitspraak van de rechtbank de maatregel van bewaring rechtmatig is.
2.3 Verweerder heeft bij faxbericht van 11 september 2001 een kopie van het model M 120-A (voortgangs)gegevens, gedateerd 26 juli 2001, met betrekking tot uitzetting van eiser overgelegd. Vervolgens heeft verweerder op 12 september 2001 nogmaals een kopie van het model M 120-A (voortgangs)gegevens, thans gedateerd 12 september 2001 aan de rechtbank doe toekomen. Voorts heeft verweerder op 17 september 2001 een telefoonnotitie van dezelfde datum met betrekking tot een telefoongesprek tussen M.P. Bouma, werkzaam bij de IND en mevrouw Poulissen, werkzaam bij de Dienst Vreemdelingenpolitie te Amsterdam aan de rechtbank doen toekomen.
2.4 De rechtbank constateert dat beide formulieren, gedateerd respectievelijk 26 juli 2001 en 12 september 2001, gelijkluidend zijn met dien verstande dat op het formulier van 12 september 2001 handmatig twee aanvullingen zijn gemaakt, namelijk „15-80’01: RB verklaart beroep ongegrond“ en „ 19-6-’01 gerappelleerd bij SME, mevr. Sabajo“. Vervolgens heeft verweerder bij meergenoemde telefoonnotitie van 17 september 2001 nog het volgende gemeld: „In aanvulling op de M120 werd mij medegedeeld dat door de beambte van de VD Amsterdam die de voortgang van de onderzoeken bij Suriname bewaakt, mw G. Codrinton, wekelijks wordt gerappelleerd bij de Surinaamse autoriteiten. Dit gebeurd telefonisch. Laatstelijk is door mw G. Codrinton gerappeld op vrijdag 14 september 2001.“
2.5 Met name op grond van de gegevens, welke blijken uit voornoemde telefoonnotitie van 17 september 2001, is de rechtbank van oordeel dat uit de verstrekte gegevens volgt dat verweerder voldoende voortvarendheid betracht bij de voorbereiding van de uitzetting van de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat het resultaat van de thans lopende aanvraag om afgifte van de laissez-passer door de Surinaamse autoriteiten vooralsnog door verweerder kan worden afgewacht. De rechtbank merkt in dit verband nog op, dat niet valt in te zien waarom evenbedoelde gegevens niet hadden kunnen worden vermeld op het kennelijk daarvoor bestemde formulier M 120-A.
2.6 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser niet in strijd is met de Vw en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.
2.7 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen.
2.8 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.
3. BESLISSING
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.D. Aardema, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, in tegenwoordigheid van J.W. van Essen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 september 2001
Afschrift verzonden op: 20 september 2001
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.