ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7117

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
25 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/52073 VRONTN
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • F. Salomon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Vw 2000Art. 5 EVRMArt. 6 Vw 2000Art. 13 EVRMArt. 31 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel en toegangsweigering vreemdeling

Eiser, afkomstig uit Sri Lanka, werd op 9 oktober 2001 de toegang tot Nederland geweigerd en werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat de beschikking niet in een voor hem begrijpelijke taal was uitgereikt en dat de rechtmatigheid van de toegangsweigering betrokken moest worden in de procedure.

De rechtbank oordeelde dat de taal waarin de beschikking is uitgereikt, Engels, in beginsel als begrijpelijk moet worden beschouwd omdat eiser deze taal enigszins beheerst, ondanks dat het eerste gehoor in Tamil was. Verder stelde de rechtbank vast dat de toetsing van de rechtmatigheid van de toegangsweigering in een aparte procedure dient te geschieden en dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet zonneklaar tot toewijzing leidt.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank vond geen reden om toepassing te geven aan aanvullende artikelen van de Vreemdelingenwet of de Algemene wet bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en toegangsweigering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
Sector Bestuursrecht
enkelvoudige kamer
Uitspraak
op grond van artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 94 en Pro 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 01/52073 VRONTN
inzake : A, geboren op [...] 1951, van (gestelde) Srilankaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, eiser,
gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. H. van Galen, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Op 9 oktober 2001 is eiser op grond van artikel 3 van Pro de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.
Op 10 oktober 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Bij besluit van 13 oktober 2001 heeft verweerder de aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 afgewezen. De ten aanzien van eiser toegepaste vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van Pro de Vw 2000 is in het besluit gehandhaafd.
Verweerder heeft de rechtbank hiervan op 11 oktober 2001 in kennis gesteld. Krachtens artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 wordt de vreemdeling daarmee geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 18 oktober 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Ter zitting was tevens aanwezig de heer A.G. Menon, als tolk in de Tamil taal.
Ter zitting heeft gemachtigde van eiser namens eiser opheffing van de maatregel gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding en veroordeling van verweerder in de proceskosten.
II. OVERWEGINGEN
Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Eiser verzoekt de rechtbank in de onderhavige beroepsprocedure - in weerwil van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ARRvS) van 5 september 2001 (20001 103358/1) - de rechtmatigheid van de toegangsweigering ex artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 te toetsen. Aan dit verzoek ligt de volgende redenering ten grondslag. Uit artikel 5, eerste lid, onder f, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) volgt dat vreemdelingendetentie in een zaak als de onderhavige slechts is toegestaan om een persoon te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen. Het is aan de rechter als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het EVRM om dat te beoordelen. Het niet betrekken van de rechtmatigheid van de toegangsweigering in een procedure over de - op basis van die toegangsweigering opgelegde - vrijheidsontnemende maatregel is dan ook strijdig met artikel 5, vierde lid, juncto artikel 13 van Pro het EVRM.
Daarnaast is de aan eiser opgelegde maatregel ex artikel 6 van Pro de Vw 2000 in het Engels en daarmee niet in een voor eiser begrijpelijke taal uitgelegd. Dat levert strijd op met artikel 5, tweede lid, van het EVRM en met het beleid neergelegd in hoofdstuk A5/2.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
De rechtbank overweegt het volgende.
Wat betreft het verzoekt van eiser om in de onderhavige procedure de vraag naar de (on)rechtmatigheid van de toegangsweigering te betrekken overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat eiser op 16 oktober 2001 een verzoek heeft ingediend om het treffen van een voorlopige voorzienig hangende het op 13 oktober 2001 ingediende administratief beroep tegen de toegangsweigering. Met de ARRvS is de rechtbank van oordeel dat het zich niet met het stelsel van de wet verdraagt om thans de rechtmatigheid van de toegangsweigering te toetsen. Daarvoor staat een aparte procedure open. Overigens is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting, het niet zonneklaar is dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening zal worden toegewezen. Nu de rechtmatigheid van de toegangsweigering op deze wijze - marginaal - is beoordeeld, kan niet op voorhand en op de door eiser aangevoerde gronden gesteld worden dat artikel 5, vierde lid juncto artikel 13 van Pro het EVRM is geschonden.
Wat betreft eisers grief over de taal waarin de beschikking ex artikel 6 van Pro de Vw 2000 is uitgelegd overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden. De rechtbank stelt vast dat de beschikking van 9 oktober 2001 vermeldt dat deze aan eiser is uitgereikt "in de Engelse taal, welke door mij en vreemdeling in voldoende mate beheerst wordt". De rechtbank is van oordeel dat in beginsel van de juistheid van deze mededeling moet worden uitgegaan.
Dat het eerste gehoor in het kader van eisers asielaanvraag van 10 oktober 2001 in de Tamil taal is gevoerd en dat het rapport van dit gehoor vermeldt dat eiser verklaart geen andere taal te spreken doet aan het voorgaande niet af. Van belang is verder dat eiser desgevraagd ter zitting heeft verklaard de Engelse taal enigszins te begrijpen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel ex artikel 6 van Pro de Vw 2000 thans niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. Derhalve wordt het beroep ongegrond verklaard.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van Pro de Vw 2000 of artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING:
De rechtbank
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2001, in tegenwoordigheid van mr. J. Snoeijer, griffier.
Afschrift verzonden op: 31 oktober 2001
Conc.: JSn
Coll:
Bp:-
D:C
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van Pro de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van Pro de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.