ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7120
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting tijdens lopende bezwaarprocedures vreemdelingenzaken
Verzoeker, een Iraakse vreemdeling, diende in september 1998 een asielaanvraag in die werd afgewezen. Tegen dit besluit maakte hij bezwaar op 19 oktober 1999, waarop nog niet is beslist. Tevens diende hij in november 2000 een aanvraag in voor verblijf bij zijn Nederlandse partner, welke buiten behandeling werd gesteld wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Hiertegen maakte hij bezwaar op 8 januari 2001, ook nog onbeslist.
Verzoeker vroeg op 3 maart 2000 een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen zolang op het bezwaar tegen de asielweigering niet was beslist. Later verzocht hij dit uit te breiden tot ook het bezwaar tegen de buiten behandeling stelling van de verblijfsaanvraag. De rechtbank constateerde dat de wettelijke beslistermijn voor beide bezwaren ruimschoots was overschreden zonder bijzondere reden en dat het belang van verzoeker bij het afwachten van de beslissing zwaarder woog dan het belang van de overheid bij uitzetting.
De rechtbank oordeelde dat de aanvraag om verblijf bij partner niet buiten behandeling mocht worden gesteld wegens het ontbreken van een mvv zolang de asielaanvraag nog liep, conform vaste rechtspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De voorlopige voorziening werd toegewezen, waardoor uitzetting werd verboden tot vier weken na bekendmaking van de beslissingen op beide bezwaarschriften.
Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van verzoeker zolang de bezwaarschriften in behandeling zijn en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.