ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7289
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verlenging visum Surinaamse verzoekers
Verzoekers, beiden van Surinaamse nationaliteit, vroegen om verlenging van de geldigheidsduur van hun visum. Zij waren in Nederland voor medische behandeling vanwege infertiliteit, maar hadden bij de visumaanvraag toerisme als doel opgegeven. De rechtbank oordeelde dat het rechtmatig verblijf van verzoekers was geëindigd en dat het bezwaar tegen de niet-verlenging van het visum niet schorsend werkte.
De rechtbank overwoog dat de hoorplicht niet betekent dat verzoekers niet uitgezet mogen worden tijdens de bezwaarprocedure. Er waren geen zeer bijzondere omstandigheden, zoals overmacht of strikt humanitaire redenen, die verlenging van het visum rechtvaardigden. De medische situatie was bij de aanvraag al bekend en er was geen sprake van onvoorziene omstandigheden.
Verzoekers konden zich niet beroepen op artikel 3.47 Vreemdelingenbesluit omdat zij geen verblijfsvergunning hadden aangevraagd. Ook het ingediende psychologisch rapport bood onvoldoende grond om uitzetting te voorkomen. De rechtbank concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verlenging van het visum wordt afgewezen.