ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7296
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C. Greeuw
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingen met minderjarig kind
Op 23 september 2001 werd de toegang tot Nederland geweigerd aan drie vreemdelingen, waaronder een minderjarig kind, en werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De vreemdelingen dienden een beroep in tegen deze maatregel, dat door de rechtbank werd behandeld. De rechtbank stelde vast dat de minderjarige C afzonderlijk een beschikking en removal order had ontvangen, maar oordeelde dat dit op zichzelf de rechtmatigheid van de maatregel niet aantast.
De vreemdelingen voerden aan dat de beschikking in het Engels was medegedeeld terwijl zij deze taal onvoldoende beheersen, en dat het Grenshospitium geen geschikte plaats is voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsontnemende maatregelen voor kinderen. De rechtbank stelde vast dat de vreemdelingen gebrekkige maar voldoende kennis van het Engels hadden en dat de motivering van de maatregel voldoende was. Tevens was er geen sprake van bijzondere omstandigheden die het Grenshospitium ongeschikt maken.
Verder werd aangevoerd dat de vreemdelingen in het bezit waren van documenten voor grensoverschrijding en een retourticket, en dat de verwijdering onvoldoende voortvarend werd uitgevoerd. De rechtbank vond de termijn tussen afwijzing en zitting echter niet onredelijk lang en ging ervan uit dat uitzetting binnen korte termijn mogelijk is.
De rechtbank concludeerde dat de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 en het Kinderrechtenverdrag, en dat de belangen van het minderjarige kind voldoende in acht zijn genomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond verklaard en de maatregel wordt gehandhaafd.