ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7571
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.J. van den Bergh
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen bewaring vreemdeling wegens redelijk vermoeden illegaal verblijf
Een Hongaarse vreemdeling werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. De bewaring volgde na een strafrechtelijk voortraject waarin de vreemdeling als first offender werd verhoord over zijn paspoort.
De vreemdeling stelde dat het strafrecht oneigenlijk werd gebruikt om een vreemdelingenrechtelijk doel te bereiken, wat neerkomt op détournement de pouvoir en disproportioneel handelen. Verweerder verwees naar jurisprudentie van de Raad van State die de rechtbank beperkte in haar toetsing van bevoegdheden die niet bij of krachtens de Vreemdelingenwet zijn toegekend.
De rechtbank oordeelde dat er geen zwaarwegende feiten of omstandigheden waren die het besluit tot bewaring onrechtmatig maakten. De eigen verklaringen van de vreemdeling leverden voldoende feiten op voor een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Bovendien was er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring terecht was opgelegd en dat het beroep ongegrond was. Er was geen aanleiding om de maatregel op te heffen of proceskosten toe te wijzen.
De uitspraak werd gedaan op 14 augustus 2001 door de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, sector bestuursrecht, vreemdelingenkamer.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft gehandhaafd.