ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7588
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortzetting bewaring vreemdeling met Litouwse nationaliteit
De vreemdelinge, van Litouwse nationaliteit, werd op 23 augustus 2001 in bewaring gesteld. Op 27 augustus 2001 werd hiervan kennisgegeven aan de rechtbank. De toenmalige gemachtigde trok het beroep tegen de bewaring op 3 september 2001 in, omdat de cliënte was uitgezet. De rechtbank heropende het onderzoek op 4 september 2001 omdat de intrekking op een kennelijke vergissing leek te berusten en gaf de gemachtigde de mogelijkheid de intrekking ongedaan te maken. Uiteindelijk bleef het beroep ingetrokken.
Op 18 september 2001 stelde de nieuwe gemachtigde van de vreemdelinge schriftelijk beroep in tegen de voortzetting van de bewaring. De rechtbank oordeelde dat dit beroep als vervolgberoep moest worden aangemerkt en dat slechts de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring aan de orde was. De rechtbank ging niet in op eerdere strafrechtelijke aanhoudingen of de mogelijkheid tot aangifte wegens vrouwenhandel, omdat deze kwesties bij het eerste beroep aan de orde hadden kunnen komen.
Tijdens de zitting verklaarde de vreemdelinge dat zij niet betrokken was bij prostitutie en geen aangifte wilde doen, maar alleen naar huis wilde. Zij gaf haar ware naam en afkomst uit Wit-Rusland aan. De rechtbank concludeerde dat er voldoende zicht was op uitzetting en dat verweerder met voortvarendheid aan de uitzetting werkte. Het beroep werd ongegrond verklaard en de bewaring voortgezet. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring van de vreemdelinge wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt gehandhaafd.