ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7594
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewaring vreemdeling op grond van openbare orde en rechtmatigheid verblijf
De vreemdeling werd in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het vermoeden dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. Dit vermoeden was gebaseerd op meerdere gronden, waaronder vermeende ongewenstverklaring, het niet naleven van een vertrektermijn, het ontbreken van identiteitspapieren, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en eerdere illegale verblijven in Nederland.
Namens de vreemdeling werd aangevoerd dat hij nooit ongewenst verklaard was en dat er geen vertrektermijn voor hem gold vanwege een lopende voorlopige voorziening tegen de afwijzing van een verblijfsvergunningaanvraag. De rechtbank stelde vast dat twee van de genoemde gronden onjuist waren, maar dat de overige gronden voldoende waren om de bewaring te rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat het beleid van verweerder om geen uitzetting te effectueren zolang een voorlopige voorziening loopt, niet impliceert dat de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft. De ophouding voorafgaand aan de bewaring werd geacht rechtmatig te zijn volgens artikel 50, derde lid, Vw2000.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet in strijd is met de wet en dat verweerder voldoende voortvarend handelt om uitzetting mogelijk te maken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.