ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7754
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Ollermann
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen bewaring vreemdeling wegens valse reispas
De vreemdeling, met de Equadoriaanse nationaliteit, werd op 9 november 2001 op Schiphol aangehouden vanwege vermoedelijk gebruik van een vervalst Spaans paspoort, wat een strafbaar feit is volgens artikel 231 Wetboek Pro van Strafrecht. Na voorleiding aan de officier van justitie werd hij op 10 november 2001 in bewaring gesteld door de Vreemdelingendienst omdat niet kon worden vastgesteld of hij rechtmatig in Nederland verbleef.
De gemachtigde van de vreemdeling betwistte de bevoegdheid van het Mobiel Roulerend Toezicht (MRT) om de controle uit te voeren, maar de rechtbank stelde vast dat het MRT onder de Koninklijke Marechaussee valt en de controle daarom rechtmatig was. De staandehouding volgde op een melding van verdacht, zeer zenuwachtig gedrag bij een gate op Schiphol, wat volgens de rechtbank voldoende grond was voor controle.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring gerechtvaardigd was op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000, mede gezien het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning en het gebruik van een vervalst paspoort. Er was bovendien voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, aangezien de vreemdeling op 15 november 2001 werd gepresenteerd bij de autoriteiten van Ecuador voor het verkrijgen van een laissez-passer. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.