ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7757

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
6 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/60096
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:77 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting bewaring vreemdeling na afwijzing asielaanvraag

De vreemdeling, met de Turkse nationaliteit, had een asielaanvraag ingediend die op 7 november 2001 werd afgewezen. Hiertegen stelde hij beroep in, stellende dat hij een Koerdische dienstweigeraar is, wat volgens hem kansrijk is. De gemachtigde van de vreemdeling voerde aan dat er geen zicht op uitzetting op korte termijn was, mede omdat verweerder pas op 22 november 2001 begon met de voorbereidingen voor de presentatie bij de Turkse autoriteiten.

De rechtbank stelde vast dat de vreemdeling in de asielprocedure geen melding had gemaakt van zijn dienstweigeraarschap, hetgeen ook werd erkend door zijn gemachtigde. De rechtbank vond dat er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond. De voorbereidingen voor de presentatie begonnen op 22 november 2001, na ontvangst van de afwijzing en het uitblijven van een verzoek om voorlopige voorziening, en de presentatie vond plaats op 27 november 2001.

De rechtbank vond geen gebrek aan voortvarendheid in de handelwijze van verweerder. Het feit dat de voorbereidingen doorgaans binnen 14 dagen starten, maar hier met één dag overschreden werden, vormde geen reden om de bewaring op te heffen. De voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel werd daarom als rechtmatig beoordeeld en het beroep ongegrond verklaard.

Er werden geen proceskosten aan partijen toegewezen en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht
beroep vrijheidsontnemende maatregel
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 01/60096 VRWET
Inzake : [A], CRV-nummer [CRV-nummer], thans verblijvende in het Huis van Bewaring te 's-Gravenhage, hierna te noemen de vreemdeling,gemachtigde mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. Y.P. Ong, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1978 en de Turkse nationaliteit te hebben.
2. Bij kennisgeving op grond van artikel 96 Vreemdelingenwet Pro 2000 (Vw2000), ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 13 november 2001, heeft verweerder de rechtbank bericht omtrent het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 2 oktober 2001 de vreemdeling heeft opgelegd. Krachtens die bepaling wordt de vreemdeling na de ontvangst van deze kennisgeving geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel.
3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op
29 november 2001. De vreemdeling heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.A. Soebhag, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 18 oktober 2001. Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.
2. De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting op korte termijn aanwezig is, nu de vreemdeling beroep heeft ingesteld tegen de afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag. De aanvraag dient als kansrijk te worden beschouwd, nu de vreemdeling zich beroept op het feit dat hij een Koerdische dienstweigeraar is.
Voorts werkt verweerder niet met voldoende voortvarendheid aan de uitzetting van de vreemdeling door pas op 22 november 2001 een aanvang te maken met de voorbereidingen van de presentatie bij de Turkse autoriteiten.
3. Verweerder heeft bij zijn kennisgeving van het voortduren van de vrijheidsontneming de rechtbank schriftelijk inlichtingen verstrekt inzake zijn handelen strekkend tot uitzetting van de vreemdeling uit Nederland. Verweerder heeft voorts ter zitting gemotiveerd betoogd dat er nog steeds voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.
4. Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel ook thans niet in strijd is met het bepaalde in artikel 96, vierde lid, Vw2000.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De stelling dat geen zicht op uitzetting bestaat aangezien de vreemdeling in beroep heeft gesteld een Koerdische dienstweigeraar te zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank geen doel treffen. De rechtbank overweegt daartoe dat de vreemdeling in de procedure die tot de negatieve asielbeschikking heeft geleid in het geheel geen melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat hij dienstweigeraar zou zijn, hetgeen door de gemachtigde van de vreemdeling ter zitting ook is erkend.
Gebleken is voorts dat de voorbereiding van de presentatie eerst is aangevangen nadat was gebleken dat namens de vreemdeling geen verzoek om een voorlopige voorziening was ingediend.
Nadat op 7 november 2001 de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van de vreemdeling is uitgereikt heeft verweerder op 22 november 2001 een aanvang gemaakt met de voorbereidingen van de presentatie bij de Turkse autoriteiten, welke op 27 november 2001 heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft in deze handelwijze geen gebrek aan voortvarendheid aangetroffen. Het feit dat met de voorbereidingen voor een presentatie in de regel binnen 14 dagen wordt aangevangen kan geen grond opleveren voor het oordeel dat de bewaring reeds bij overschrijding van deze periode met één dag dient te worden opgeheven, te meer nu in het onderhavige geval presentatie in persoon kort nadat met de voorbereidingen is begonnen heeft plaatsgevonden.
5. Niet is gebleken dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.
6. Het beroep is derhalve ongegrond.
7. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
III. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond.
IV. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en uitgesproken in het openbaar op
6 december 2001, in tegenwoordigheid van J.J. Brands, griffier.
afschrift verzonden op: