ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7757
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting bewaring vreemdeling na afwijzing asielaanvraag
De vreemdeling, met de Turkse nationaliteit, had een asielaanvraag ingediend die op 7 november 2001 werd afgewezen. Hiertegen stelde hij beroep in, stellende dat hij een Koerdische dienstweigeraar is, wat volgens hem kansrijk is. De gemachtigde van de vreemdeling voerde aan dat er geen zicht op uitzetting op korte termijn was, mede omdat verweerder pas op 22 november 2001 begon met de voorbereidingen voor de presentatie bij de Turkse autoriteiten.
De rechtbank stelde vast dat de vreemdeling in de asielprocedure geen melding had gemaakt van zijn dienstweigeraarschap, hetgeen ook werd erkend door zijn gemachtigde. De rechtbank vond dat er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond. De voorbereidingen voor de presentatie begonnen op 22 november 2001, na ontvangst van de afwijzing en het uitblijven van een verzoek om voorlopige voorziening, en de presentatie vond plaats op 27 november 2001.
De rechtbank vond geen gebrek aan voortvarendheid in de handelwijze van verweerder. Het feit dat de voorbereidingen doorgaans binnen 14 dagen starten, maar hier met één dag overschreden werden, vormde geen reden om de bewaring op te heffen. De voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel werd daarom als rechtmatig beoordeeld en het beroep ongegrond verklaard.
Er werden geen proceskosten aan partijen toegewezen en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.