ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7758
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
De vreemdeling was sinds 4 september 2001 in bewaring gesteld en het beroep betrof de voortzetting van deze maatregel. De rechtbank stelde vast dat de rechtmatigheid van de bewaring eerder was beoordeeld en dat nu alleen de voortzetting aan de orde was. Verweerder betoogde dat er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestond en dat er voortvarend was gehandeld.
De rechtbank constateerde een interne communicatievertraging bij de Vreemdelingendienst, waardoor de uitspraak van 23 november 2001 pas op 10 december 2001 bij hen bekend was. Hoewel verweerder sneller had kunnen handelen, was de vreemdeling op 12 december 2001 gepresenteerd bij de Turkse autoriteiten voor de aanvraag van een laissez-passer. Ook de vreemdeling had de uitzetting kunnen bespoedigen door het overleggen van zijn Nüfüs.
De rechtbank oordeelde dat de voortzetting van de bewaring niet onredelijk was en niet in strijd met de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, mede omdat in vergelijkbare zaken andere termijnen golden. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak is gedaan door de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage op 18 december 2001.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.