ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8116
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking vluchtelingenstatus wegens terugkeer naar Noord-Irak niet gerechtvaardigd
Eiser, een Iraakse vluchteling, kreeg in 1993 toelating als vluchteling in Nederland. Verweerder trok deze status in 1999 in op grond van de constatering dat eiser vier dagen naar Noord-Irak was teruggekeerd, wat volgens verweerder impliceerde dat hij de bescherming van de autoriteiten aldaar had gezocht.
De rechtbank stelde vast dat in het paspoort van eiser uit- en inreisstempels van Turkije naar Noord-Irak aanwezig waren, en dat ambtsberichten uitsluiten dat deze stempels zonder daadwerkelijke inreis verkregen konden zijn. Eisers stelling dat de stempels door omkoping zijn verkregen werd niet aannemelijk geacht. De rechtbank achtte het aannemelijk dat eiser vier dagen in Noord-Irak verbleef.
De kernvraag was of dit bezoek voldoende grond gaf voor intrekking van de vluchtelingenstatus. De rechtbank oordeelde dat een kort bezoek niet automatisch betekent dat de vluchtelingenstatus is beëindigd. Van doorslaggevend belang is of eiser vrijwillig de bescherming van de autoriteiten heeft gezocht en verkregen. Dit was niet aannemelijk gemaakt door verweerder. Eisers beroep werd daarom gegrond verklaard en het besluit tot intrekking vernietigd.
Het beroep van eiseres, die een verblijfsvergunning bij echtgenoot had, werd ongegrond verklaard omdat geen gronden voor vernietiging waren aangevoerd. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de vluchtelingenstatus van eiser wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat hij de bescherming van de autoriteiten in Noord-Irak heeft gezocht.