ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8251
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking beroep en voortzetting vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd op 7 november 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000. De gemachtigde van de vreemdeling trok het eerste beroep tegen deze maatregel op 15 november 2001 in, waarna de vreemdeling op 21 november 2001 een nieuw beroep instelde. De rechtbank moest beoordelen of dit nieuwe beroep als een eerste beroep of als een vervolgberoep moest worden aangemerkt.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking van het eerste beroep door de gemachtigde mogelijk is en dat daarmee de eerste toetsing van de bewaring is beëindigd. Het nieuwe beroep is een vervolgberoep waarvoor geen wettelijke hoortermijnen gelden. De stelling dat de intrekking in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel werd niet gevolgd, omdat de intrekking betrekking had op het eerste beroep.
Verder onderzocht de rechtbank of de voortzetting van de bewaring gerechtvaardigd was. Gezien het verzet van de vreemdeling tegen uitzetting en de geboekte vlucht naar Accra achtte de rechtbank de voortzetting van de bewaring niet onredelijk. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.